Tuinkabouters

Tuinkabouters zijn al lang aanwezig in het Vlaamse landschap. Voor sommigen zijn ze een geliefd verzamelobject, voor anderen smakeloze kitsch. Ze toveren voortuinen om tot wonderlijke fantasiewerelden. Vandaag bestaan ze in allerlei maten, materialen en vormen. Ze hebben echter een lange weg afgelegd om uiteindelijk in de Vlaamse voortuintjes terecht te komen.

De geboorte van de tuinkabouter

De eerste echte tuinkabouters worden gemaakt in het Duitse Gräfenroda in de tweede helft van de 19e eeuw. De beeldjes worden enorm populair. Steeds meer firma’s beginnen ze te maken en ook in de reclamewereld duikt de figuur steeds vaker op. Tijdens en na de Eerste Wereldoorlog wordt de tuinkabouter echter minder populair. 

Het is pas in de jaren 1960 dat hun populariteit opnieuw enorm toeneemt. De tuinkabouter verspreidt zich over grote delen van de wereld. Dit luidt ook het begin van de massaproductie in. De vervaardiging gebeurt vanaf dan steeds vaker in Aziatische of Oost-Europese landen. Met goedkopere arbeid en goedkopere materialen daalt ook de kwaliteit. In de 19e en het begin van de 20e eeuw sierden de tuinkabouters nog de tuinen van de kleine burgerij, maar nu verandert dit. De tuinkabouter krijgt een meer ‘volks’ karakter en wordt de trouwe bewaker van voortuintjes in de voorsteden.

In sprookjes en mythes

Hoewel de eerste tuinkabouter gemaakt wordt in het 19e-eeuwse Duitsland, zijn deze mythische wezens al langer gekend. Volgens sommigen is de figuur van de tuinkabouter eeuwen geleden ontstaan. Er zou een link zijn met de mythologische figuur Priapus. In het klassieke Griekenland en Rome wordt hij vereerd als een vruchtbaarheidsgod. Zijn grote, vaak roodgekleurde fallus wordt vergeleken met de typische rode puntmuts. Anderen zien dan weer een link met het Middeleeuwse Cappadocië (in het huidige Turkije). Kleine mensen moeten er vaak onder dwang in de nauwe mijnschachten werken. Hun uitrusting doet vaag denken aan de hedendaagse klederdracht van tuinkabouters.

Het is echter waarschijnlijker dat de tuinkabouter in zijn huidige gedaante zijn oorsprong kent in de romantiek van de 19e eeuw. In deze periode kennen volksverhalen en sprookjes een heropleving. Denk maar aan de gebroeders Grimm, die in het begin van de 19e eeuw honderden sprookjes verzamelen, bewerken en uitgeven, zoals het verhaal van Sneeuwwitje en de zeven dwergen. Op illustraties in deze werken worden kabouters vaak afgebeeld zoals we de tuinkabouter vandaag kennen: met een puntmuts, een lange witte baard, een riem om het middel en laarzen aan de voeten. Ook in de romantische schilderkunst duiken gelijkaardige afbeeldingen op.

Deze dwergen en kabouters in sprookjes zijn wonderlijke en bovennatuurlijke wezens. Ze krijgen uiteenlopende eigenschappen toegewezen. Ze zijn steeds de tegenspeler van de mens. Soms zijn ze de kwaadaardige en listige tegenstander, zoals Repelsteeltje in het gelijknamige sprookje. Andere keren zijn ze vriendelijke helpers, zoals de zeven dwergen die Sneeuwwitje onderdak bieden. Die kabouters hebben uiteindelijk hun weg gevonden naar de Vlaamse voortuintjes. Al heeft de tuinkabouter die we vandaag kennen vermoedelijk meer weg van de Disney film over Sneeuwwitje uit 1937, dan de magische wezens uit de oudere volksverhalen.

In de voortuin

De voortuin vormt het verlengde van het huis. Het is een soort van etalage waar je als bewoner een stuk van je persoonlijkheid kan tonen. Net zoals onze kledingstijl iets vertelt over onszelf, doet onze tuin dit ook. Doorheen de 20e eeuw beginnen we immers steeds meer buiten te leven. Een eigen tuin behoort voor steeds meer mensen tot de mogelijkheden. Dat eigen stukje paradijs moet, net zoals het huis, zo mooi mogelijk ingericht worden. Tuinkabouters kunnen daarbij een belangrijke rol vervullen. Ze vertellen een verhaal en helpen een fantasiewereld te creëren.

Tuinkabouters beelden vaak een idyllische wereld uit. Het zijn noeste arbeiders. Met kruiwagens, gieters, harken en lantaarns bewerken ze de aarde. Maar het gamma beperkt zich vandaag al lang niet meer tot de ijverige werkers. Vrolijke, ondeugende, luie of zelfs obscene kabouters, er is voor elk wat wils. De tuinkabouter mag dan wel in massa geproduceerd worden, in de individuele tuin krijgt hij een eigen rol, een eigen persoonlijkheid.

Tuinkabouters maken tot op de dag van vandaag deel uit van het Vlaamse tuinlandschap. Ze spreken nog steeds tot de verbeelding . Kinderen kennen de wezens misschien uit de recente animatiefilms Gnomeo & Juliet of Sherlock Gnomes. Dat zijn twee bewerkingen op literaire klassiekers waarin tuinkabouters de hoofdrol spelen. Niet iedereen is echter even grote fan. Al sinds 1995 is in Frankrijk een Tuinkabouterbevrijdingsfront actief, dat ook in België navolging krijgt. Zij bevrijden de beeldjes uit de tuinen, die zij zien als immorele gevangenissen. Anderen lijken dan weer aanstoot te nemen aan het losbandige gedrag van sommige beeldjes. Hoe dan ook, de tuinkabouter lijkt nog lang niet aan zijn laatste adem toe.

In het Huis van Alijn liep in 2001 de expo Mannen met baarden. Wie herinnert zich nog de kabouterinvasies?

Meer weten over de collectie?

BEZOEK STUDIO ALIJN

Kenniscentrum over het erfgoed van het dagelijks leven

Studio Alijn is te bezoeken na afspraak tijdens weekdagen
van 10:00 tot 17:00 via studio@huisvanalijn.be of
T 09 235 38 00

Adres Studio Alijn
Kraanlei 69, 9000 Gent

img_8374_web_c_michiel_devijver_666a0a26dcbd26b80e6ed14b26532644

Blijf op de hoogte

Volg het nieuws en de verhalen van het Huis van Alijn.