Het Belgisch syndicalisme

Vakbonden zijn in België actief sinds eind 19e eeuw. Tot op vandaag verdedigen ze onze verworven rechten en streven ze naar meer rechtvaardigheid. Nog steeds meer dan de helft van de werkende bevolking is aangesloten bij een vakbond. Vakbonden zijn dus sterk vertegenwoordigd en behartigen de belangen van hun leden in sociaal overleg en op straat.

De straat op

Wanneer werknemers het werk neerleggen gaat dit vaak gepaard met een fysieke betoging. De stakers nemen de publieke ruimte in met vlaggen, lawaai en spandoeken. Je ziet en hoort ze al van ver aankomen. Op die manier eisen de stakers de aandacht van pers en politiek. Het staken zelf heeft als doel de werkgever onder druk te zetten. Door het werk neer te leggen, leiden werkgevers verlies of ervaren ze druk van consumenten om tot een akkoord te komen. Er zijn wilde stakingen die spontaan ontstaan en niet erkend worden door een vakbond. De meeste stakingen zijn wel gecoördineerd door een vakbond. Soms vinden ze plaats in een specifiek bedrijf. Het kan ook dat werknemers van meerdere sectoren op een zelfde moment staken. In dat geval spreekt men van een algemene staking. De grootste algemene staking vindt plaats in 1960-1961. Tijdens deze staking tegen de Eenheidswet leggen op het hoogtepunt van de staking naar schatting één miljoen werknemers het werk neer. De staking duurt 35 dagen. Nadat er doden vallen bij een confrontatie tussen rijkswacht en stakers, komt de staking tot zijn einde.

Niet enkel voor stakingen en betogingen komen vakbonden op straat. Doorheen de 20e eeuw vieren de zuilen traditioneel ook een partijdag, steeds met een officiële optocht. De vakbonden mogen hier niet ontbreken. Op deze dagen vieren en herdenken de deelnemers de weg die is afgelegd, maar is er ook aandacht voor actuele kwesties. Turn-, sport-, jeugdverenigingen, fanfares en prominente personen uit de partij of de vakbonden lopen steevast mee in een strikt geregisseerd defilé.

Het ontstaan van de vakbonden

Vakbonden zijn tot op vandaag erg zichtbaar en aanwezig. Ze hebben weliswaar een lange weg afgelegd. Tijdens de industrialisering groeit het aantal fabrieksarbeiders aanzienlijk. Tot 1866 kunnen ongeschoolde arbeiders zich door het Belgische coalitieverbod moeilijk verenigen. Hun werkomstandigheden zijn zwaar en onveilig en ze genieten weinig bescherming.
Sommige arbeiders proberen ondanks het coalitieverbod toch samen te werken. In de jaren 1850 ontstaan er in Gent weerstandskassen. Wevers en katoenspinners sparen voor een gezamenlijk ‘potje’ om periodes zonder inkomen te overbruggen. Een tiental jaren later wordt ook de weversmaatschappij de Vooruit opgericht. Dat is een coöperatieve maar ook een weerstandskas, mutualiteit en spaarkas. Oorspronkelijk is ze neutraal maar het grootste deel van haar achterban heeft een duidelijke socialistische voorkeur. Het merendeel sluit zich aan bij de Eerste Internationale, die internationale socialistische samenwerking bepleit. 

Ook in andere steden organiseren steeds meer arbeiders zich. De initiatieven zijn voornamelijk lokaal en per beroepsgroep. Op een eengemaakt socialistisch vakverbond is het wachten tot 1898. Dat jaar roept de Belgische Werkliedenpartij (BWP) een Syndicale commissie in het leven, die de plaatselijke vakbonden verenigt onder één structuur.

Dit socialistische gedachtengoed maakt heel wat katholieken onrustig. Als reactie groeit er een antisocialistisch vakverbond. Ze eist eveneens meer sociale en politieke rechten voor arbeiders, maar wil hen uitdrukkelijk weghouden van het opkomende socialisme. In 1891 ziet de Belgische Volksbond het levenslicht. Het is een coördinerend orgaan voor al de lokale christendemocratische organisaties. Binnen de Volksbond is er naast zuivere vakbonden met enkel arbeiders, ook plaats voor syndicaten die patroons en arbeiders verenigingen.

De confrontatie met de sociale kwestie doet ook in liberale hoek stemmen opgaan voor een vakbond. Opvallend is dat deze vooral van conservatieve liberalen komen. De progressieven laten de sociale kwestie liever aan de socialisten. Voornamelijk in Gent en Antwerpen ontstaan er liberale syndicaten. In tegenstelling tot de andere zet de liberale vakbond al vrij vroeg in op een nationale structuur die met zo min mogelijk tussenniveaus syndicale actie coördineert.

Deze drie vakbonden staan nu bekend als het ABVV (Algemeen Belgisch Vakverbond), het ACV (Algemeen Christelijk Vakverbond) en de ACLVB (Algemene Centrale der Liberale Vakverbonden van België). Tijdens de Tweede Wereldoorlog is geprobeerd om een eenheidsvakbond op te richten, maar dat was niet succesvol. De drie vakbonden vertegenwoordigen tot op vandaag nog steeds hun eigen achterban. Al is lidmaatschap van een vakbond niet langer verzuild. Tot aan de jaren 1990 is dat meestal wel nog het geval.

Centralisatie en sociaal overleg

Na de Eerste Wereldoorlog focussen de drie vakbonden op de uitbouw van een sterke organisatie en het realiseren van verbeteringen voor arbeiders op korte termijn. Opvallend is dat de vakbonden tijdens het interbellum niet de enige zijn die mobiliseren rond sociale thema’s. Zo zijn de oudstrijdersbonden ook actief in die periode. Ze komen veelvuldig op straat voor onder meer enkelvoudig stemrecht en pensioenen. Ze beschikken over een grote mobilisatiekracht en weten heel wat sociale eisen af te dwingen.

Na de Tweede Wereldoorlog zullen de vakbonden een krachtige speler worden. Ze centraliseren en professionaliseren sterk. In de eerste plaats blijven ze een stakingskas. Daarnaast groeien ze uit tot volwaardige gesprekspartners in sociaal overleg. Ze gaan in gesprek in ondernemingen, bedrijfstakken en op interprofessioneel vlak. Om hun positie in dit overleg te versterken worden ook studie- en vormingsdiensten uitgebouwd. Ze behouden ook hun rol als uitkeringsinstantie, ondanks dat de overheid dit zelf ook zal organiseren. In de laatste decennia zijn de vakbonden nog verder uitgebreid op vlak van sociale en juridische dienstverlening. Vakbonden zijn misschien het meest zichtbaar op straat, maar hun invloed reikt dus op verschillende niveaus.

benieuwd naar meer #Optocht ? bekijk alles

Meer weten over de collectie?

BEZOEK STUDIO ALIJN

Kenniscentrum over het erfgoed van het dagelijks leven

Studio Alijn is te bezoeken na afspraak tijdens weekdagen
van 10:00 tot 17:00 via studio@huisvanalijn.be of
T 09 235 38 00.
Studio Alijn is gesloten van 15 juli tot 3 augustus 2022.

Adres Studio Alijn
Kraanlei 69, 9000 Gent

img_8374_web_c_michiel_devijver_666a0a26dcbd26b80e6ed14b26532644

Blijf op de hoogte

Volg het nieuws en de verhalen van het Huis van Alijn.